2011

29 december 2011

Voeten van die stoel!

Afgelopen zaterdag was ik te voet op weg naar huis. Voor mij liepen twee jongens van ongeveer vijftien en twaalf jaar. Ze waren half stoeiend op een luidruchtige manier in gesprek. Ik volgde het geamuseerd tot de jongste iets uit zijn handen liep vallen, ik zag niet wat. Hij bukte, raapte het op en draaide zich om zijn as naar mij toe: ‘Mevrouw mag ik u in brand steken?’ Hij liet me met een stalen gezicht een aansteker zien. Ik stond met mijn mond vol tanden en dacht bijna hardop: wat gebeurt hier? Hij klonk niet dreigend, agressief of treiterig. Eerder zakelijk, alsof hij vroeg hoe laat het was. Na een paar seconden was ik in staat te reageren: ‘Dat zou ik niet doen joh, daar komt narigheid van’. Een antwoord van niets, voelde ik meteen. Een halve minuut later was ik thuis en eer er nog een minuut verstreken was, waren beide jongens mij waarschijnlijk alweer vergeten. Dit incident bleef echter nog lang in mijn bewustzijn doorzeuren. In mijn hoofd ontstond een verwarrende discussie: Waarom stelt een jong kind zo’n bizarre vraag aan een wild vreemde? Is hij zich wel bewust van wat hij gezegd heeft? In feite is het een bedreiging. Toch? Of moet je zo niet naar zo’n opmerking luisteren, hij is immmers nog zo jong? Maar stel dat hij zestien was geweest of achttien? Heeft het te maken met de veel besproken invloed van gewelddadige
computerspelletjes en tv-programma’s, is het een gebrek aan opvoeding? En misschien wel de belangrijkste vraag: waarom hakt deze ervaring er bij mij zo in? Vragen in overvloed, maar antwoorden had ik  nauwelijks.
Twee dagen later keek ik naar Wintergasten. Raoul Heertje interviewde Anthony M. Daniels, een Brits psychiater en essayist, beter bekend onder zijn pseudoniem Theodore Dalrymple. Het gesprek ging onder meer over de veranderende maatschappelijke normen en waarden en de vraag wat normaal acceptabel gedrag is. Hoe bepaal je wat kan en wat niet kan? Daniels zei hierover:
“Er moet een grens blijven tussen het aanvaardbare en het onaanvaardbare. Zelfs als je die niet kunt rechtvaardigen vanuit een of ander cartesiaans standpunt. (…) Het is heel moeilijk om het punt te bepalen vanwaar je syllogistisch [ = bewijsbaar] kunt aanvoeren dat iets niet mag. In het klein zie je in Engeland (…) dat heel veel jongeren menen dat lege stoelen tegenover hen bedoeld zijn voor hun voeten. Als je dan zegt: Wil je je voeten daar niet op leggen, vragen ze: ‘Wat is er mis mee?’ En dan moet je bewijzen dat er iets mis mee is. En als je zegt: dat hoort niet, zeggen ze: ‘Bepaal jij dat? Noem mij één goede reden.’ Is het een kwestie van esthetiek? Waarom telt jouw mening meer dan de mijne? (…) Een Engelse rechter heeft dat heel mooi verwoord: ‘Als de gehoorzaamheid aan het onafdwingbare verdwijnt, is de beschaving verloren’.”

Ik denk dat Daniels hier verwoordde waarna ik zocht. De opmerking van de jongen die voorstelde mij in vlammen op te laten gaan, is onacceptabel. Of hij het meende of niet, hij overschreed met zijn woorden mijn grens van het aanvaardbare. Als we dergelijke uitlatingen van jonge kinderen onopgemerkt aan ons voorbij laten gaan, denk ik inderdaad dat we hen laten knagen aan de poten van onze beschaving.

 


5 december 2011

Toegankelijke speeltuinen? Trap er niet in…

Vanmiddag ging de telefoon. Een afgeschermd nummer, zo meldde het display. Ik nam ‘m aan, kreeg in eerste instantie geen antwoord, maar na wat gerommel klonk er een mannenstem met een net-iets-te-glad verhaal over toegankelijke speeltuinen.

Toegankelijk voor kinderen met een handicap. Hoewel zo’n initiatief mij toch zou moeten aanspreken, haakte ik onmiddellijk af. Ik ben geen fan van telefonische verkoop. Ik vind het opdringerig en wil zelf bepalen wanneer ik iets koop of geld weggeef. Nee, ook goede doelen hoeven niet op deze manier bij mij aan te kloppen. Iedereen die met een collectebus voor een Goed Doel bij ons aan de deur komt, krijgt iets. Al is het maar voor de moeite. Ik heb een groot respect voor deze mensen.
De man die ik nu aan de lijn had, riep het tegenovergestelde op. Ik probeerde hem te onderbreken, maar hij ratelde onverstoorbaar door. Mijn irritatie groeide met de seconde en werd al snel aangevuld met boosheid. Na nog een tevergeefse poging hem in de rede te vallen, heb ik de hoorn op de haak gegooid. Iets dat ik (bijna) nooit doe.

Die boosheid heeft ertoe geleid dat ik me direct na het telefoontje heb aangemeld bij het Bel-me-niet Register. Dat was ik al heel lang van plan, maar omdat telemarketeers het liefst onder het eten of op een ander ongewenst moment bellen, is het daar nooit eerder van gekomen. Zulke dingen doe ik direct of helemaal niet. Maar nu ben ik aangemeld. Het is een toegankelijke site en je kunt maarliefst vier telefoonnummers opgeven.
Hoewel dergelijke vormen van irritatie bij mij meestal snel verdwijnen, bleef het telefoontje van die speeltuinman door mijn hoofd dreinen. Er was nog iets dat me dwars zat. Terwijl ik de site van Bel-me-niet bekeek en ontdekte dat je een klacht kunt indienen tegen vervelende verkopers die zich niet aan de regels houden, wist ik het ineens: ‘deze man deugt niet en zijn verhaal klopt niet’.

Ik heb ‘voor de lol’ eens even gegoogled op telemarketing en speeltuinen en vond de volgende waarschuwing van de NSGK, de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind: “NSGK heeft verschillende meldingen binnengekregen van telefoonoplichting. Slachtoffers worden gebeld door ene meneer Boomsma, waarna hen, middels een ingesproken bandje, gevraagd wordt om eenmalig een bedrag te doneren voor toegankelijke speeltuinen. Vervolgens wordt hen gevraagd verschillende (persoons)gegevens af te geven. NSGK gebruikt het middel telemarketing om nieuwe donateurs en/of vrijwilligers te werven. Echter …“  [Lees verder…]

Dus, wees gewaarschuwd. En als u iets wilt doen voor kinderen met een handicap, de NSGK is een prima organisatie. Kijk een op de www.nsgk.nl.

 


29 november 2011

Nepal [ 3 ]

In oktober was ik met Joost, mijn partner, vier weken in Nepal. In verschillende opzichten een bijzonder land dat aanzet tot nadenken. De komende tijd wil ik over enkele van mijn ervaringen in Nepal schrijven. Mocht je vragen hebben of iets aan mijn ervaringen toe willen voegen, dan nodig ik je uit om te reageren.

Met de bus

Komend jaar wordt de maximumsnelheid op 60% van de Nederlandse snelwegen verhoogd naar 130 km per uur. Ik hoorde dit nieuws op de radio terwijl ik bezig was om op internet een fotoboek te maken van onze reis door Nepal. Van mij hoeft het niet. Er is uitgerekend dat het niet meer oplevert dan een paar minuten tijdwinst; dat die paar minuten een sloot extra brandstof kosten; en dat het ook nog eens ten koste gaat van de verkeersveiligheid.
Terwijl ik dit nieuwsbericht van me af liet glijden, kwam ik bij een foto van het minibusje dat ons bij aankomst op Kathmandu Airport heeft afgehaald. Hotsend en botsend maar ook snel en veilig bracht de chauffeur ons naar Vajra Guesthouse. De hotelmedewerker, die mee was gekomen, vertelde dat Kathmandu weliswaar dichterbij het vliegveld ligt, maar moeilijker bereikbaar is, omdat het er zo enorm druk is. Zoiets als een avondspits of ochtendspits bestaat er niet, het verkeer is altijd druk. Hoe druk, daar kwamen we pas achter toen we een paar dagen later zelf in de hoofdstad gingen kijken. Omdat we alles wilden meemaken, gingen we met de bus. Een avontuur op zich. Zowel in de stad als tijdens een langere reis ontdekten we later.
Iedereen die wel eens in Azië of Afrika gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer kent de vreugde en ellende die hierbij horen. Nepalese bussen, in Nederland zouden ze nooit door de APK komen, hebben weinig vering en weinig zitcomfort, zeker als je langer bent dan 1.70 m is het afzien. Ze piepen en rammelen soms hartverscheurend en er kunnen altijd meer mensen in dan je denkt.
Van Bhaktapur naar Kathmandu neem je een gewone lokale busdienst. Je stapt in, betaalt veertig roepies en stapt uit wanneer je wilt. Als je een toeristische trip boekt, is het wat luxer. Dan heb je automatisch een gereserveerde stoel. Dit klinkt veelbelovend, maar het kan zomaar gebeuren dat je stoel al bezet is op het moment dat je instapt. De jongen die het in- en uitstappen regelt, zorgt dat jij de plaats krijgt waar je voor betaald hebt.
Maar ook zonder reservering kun je mee. Als je genoegen neemt met een staanplaats, een rieten krukje of een één-bils-bankje achter of naast de chauffeur, kun je er altijd bij. De bussen zitten over het algemeen dus bomvol. Past er echt niemand meer bij, dan is er vaak nog plaats op het dak. En denk nu niet dat dit ten koste gaat van de stemming. Integendeel. Nepalezen zijn in de bus even rustig, geduldig en vriendelijk als altijd. Ze zijn behulpzaam, altijd bereid om in te schikken, iemands kind op schoot te nemen of een tas aan te pakken en in een vrij hoekje te schuiven. Iedereen praat en bemoeit zich met iedereen. De chauffeur zit achter het stuur en bemoeit zich nauwelijks met wat er in de bus gebeurt. Dat is de zorg van wat ik ‘de busjongen’ ben gaan noemen.
De busjongen hangt half uit de bus zolang deze door een stad of dorp rijdt. Hij helpt mensen met instappen, verzoekt andere passagiers om nog een beetje in te schikken en hij zorgt dat je betaalt voor je weer uitstapt.
‘Wat een rotbaan,’ vond ik tijdens mijn eerste busritjes. Ik had het enorm met die jongens te doen. Maar tijdens onze reis van Chitwan National Parc terug naar Khatmandu, ben ik anders naar de onze busjongen gaan kijken. Hij was tijdens deze bijna zes uur durende reis vrolijk, actief, en gezellig. En nog iets. Hij was zichtbaar trots op ‘zijn’ bus, zijn business. De stapel roepies die hij regelmatig, met een aandoenlijk soort nonchalance uit uit zijn kontzak haalde, was het bewijs van zijn succes. En het succes van de chauffeur. Want dat zij samen een team vormen, maakte ik op uit de weinige woorden die ze uitwisselden ( en die ik niet eens verstond); de blikken van verstandhouding en hun typische manier van communiceren: het slaan op de bus. Vermoedelijk betekent één keer slaan stoppen en twee keer rijden. Of andersom. Hoe dan ook, ze waren perfect op elkaar ingespeeld. Ik heb van ze genoten. Van hen en van onze medepassagiers.

Als je het sociale Nepalese leven wilt ondergaan, is reizen over de weg een aanrader. Je hebt maar twee dingen nodig: tijd en geduld. Als je zo snel mogelijk op je bestemming wilt zijn, wordt het niets. Een reis van 200 kilometer, kan zomaar acht uur duren. Nepal heeft geen snelwegen en kent, voor zover ik weet, geen maximumsnelheid. In een auto 130 kilometer per uur rijden is daar ondenkbaar, maar gelukkig moet het idee ‘haast’ daar ook nog uitgevonden worden.

 


10 november 2011

Nepal [ 2 ]

In oktober was ik met Joost, mijn partner, vier weken in Nepal. In verschillende opzichten een bijzonder land dat aanzet tot nadenken. De komende tijd wil ik over enkele van mijn ervaringen in Nepal schrijven. Mocht je vragen hebben of iets aan mijn ervaringen toe willen voegen, dan nodig ik je uit om te reageren.

Namesté

Wij gingen naar Nepal om alles wat met verplichtingen, vanzelfsprekendheden en sleur te maken heeft even achter ons te laten. En daar is Nepal, zo is mijn ervaring inmiddels, een prima land voor. Het is een land dat in maar weinig opzichten op Nederland lijkt.
De natuur, het landschap. Niets doet denken aan ons vlakke polderlandje onder de zeespiegel. Toen wij aan iemand vertelden dat onze hoogste berg 350 meter hoog is, zei hij lachend dat zij het tot 3000 meter over een hill (heuvel) hebben en pas daarna is er sprake van Mountains, echte bergen.
Het klimaat is anders, vooral warmer. Ik ben dol op warmte en gedij beter bij 25+ dan bij temperaturen onder de 18 graden. Als notoire koukleum kost het me in ons eigen landje al snel een hoop energie om warm te blijven. In Nepal was de temperatuur voor mij zeer aangenaam.
De Nepalezen zijn, voor zover ik na vier weken kan beoordelen, behulpzaam, vooral vriendelijk en  opgewekt. Dat deed me goed. In onze
eigen stad valt het me regelmatig op hoe stuurs of zelfs chagrijnig voorbijgangers eruit zien; hoe mensen die rakelings langs elkaar lopen elkaar niet aankijken of groeten; hoe caissières in staat zijn klanten te helpen zonder oogcontact te maken en even iets vriendelijks te zeggen. Vaak doe ik, tevergeefs, een poging om met een glimlach contact te maken met wie ik op straat tegenkom. In Nepal kon ik mijn hart ophalen. Zowel in de chaos van het drukke en lawaaierige Kathmandu als in de bergdorpjes waar wij tijdens onze vijfdaagse trekking doorkwamen werd ieder oogcontact beantwoord met het daar gebruikelijke ‘Namesté’, wat volgens ons reisboek Nepal Insight betekent ‘Ik groet alle goddelijke eigenschappen in u’. Mensen lachen en groeten graag. Ik voelde me gezien en geaccepteerd terwijl niemand meer van mij wist dan dat ik een toerist was, die waarschijnlijk veel rijker is dan zijzelf. En toch leek dit niet echt een rol voor hen te spelen.
Voor hen niet, maar als er één aspect was dat soms een treurig tintje gaf aan onze reis door Nepal was het die confrontatie met de enorme armoede waar de mensen in dit land mee kampen. Ik kon me er tot de laatste dag moeilijk toe verhouden. Verhalen over zieke familieleden, terwijl er nauwelijks geld is om de nodige medische zorg te betalen. De confrontatie met bergdorpen die zo goed als afgesloten zijn van de bewoonde wereld, waardoor veel kinderen niet naar school gaan en ziekenhuizen of artsen zo goed als onbereikbaar zijn. De onbetwistbare plicht die jongeren voelen om voor hun familie te zorgen waardoor ze geen kans zien om hun talenten te ontwikkelen of een studie te volgen. En ga zo maar door.
Maar het meest hartverscheurend waren de ogen van bedelende kinderen. Ik geloof inmiddels dat er kinderen zijn die door volwassenen gedwongen worden om te bedelen, maar voor wie eigenlijk gezorgd zou kunnen en moeten worden. Als je deze kinderen geld geeft, bestendig je de beroerde omstandigheden waarin ze verkeren; dan stem je in met wat ze doen. Indirect moedig je degenen die verantwoordelijk voor hen zijn aan om deze jongens en meisjes niet naar school te sturen want zo zorgen ze immers voor wat extra. En, wat gebeurt er met het zelfbeeld van deze vaak hele jonge kinderen? Hiervoor word je gewaarschuwd, bijvoorbeeld met teksten op posters die je bij de pinautomaten aantreft.  Er zijn echter ook kinderen die echt alleen zijn, kinderen die proberen te overleven op straat, waar niemand naar omkijkt. Voor hen is iedere toerist een kans op een paar roepies, om in ieder geval die dag wat minder honger te hebben.
Ik vergeet nooit hoe wij in Pokhara op een terrasje zaten te lunchen toen een meisje van  hooguit tien jaar naar ons toe kwam. Ze had verward, zwart, half lang haar;  ze was zichtbaar dagenlang niet gewassen: haar blote voeten, beentjes, armen en gezicht waren bedekt met vuil en stof. Dikke tranen lieten een spoor achter op haar wangen. Haar ogen groot en bang. Ze hield een metalen bakje omhoog en zei alleen maar ‘please’.  Ik weet niet waarom, maar ik raakte in vertwijfeling en probeerde haar te negeren. Misschien had ik de genoemde poster nog op mijn netvlies staan. We probeerden ons gesprek voort te zetten en door te eten. Het meisje droop af en ik voelde een brok in mijn keel. Langzaam drong tot mij door dat het verhaal op de poster niet over haar ging. Dit meisje zag er zó immens verlaten uit, voor haar ging het om leven en dood. Toen ik me dat realiseerde heb ik haar gewenkt, ze stond op een afstandje nog steeds naar ons te kijken. Ik heb wat roepies in haar bakje gedaan. Ze keek me niet aan, maakte geen oogcontact, glimlachte niet. Maar haar gezichtje ben ik nog niet kwijt.

 


1 november 2011

Het offer van het CDA

Er is al veel te veel over gezegd, maar ik moet gewoon even lucht geven aan mijn emoties. Er is vandaag door de politiek een jong mens geofferd. En waarom?

Omdat de minister zich zonder pardon houdt aan de wet die hij, zo verontschuldigt hij zich, niet zelf heeft bedacht. En omdat hij allerlei andere, al dan niet juridische, oplossingen, die er echt blijken te zijn, negeert.

Omdat het CDA, dat verdeeld was, geen ‘spelbrekers’ accepteert en de Kamerleden, al dan niet gedwongen, unaniem tegen hebben gestemd.

Omdat de stem van het volk nu even niet telt. Wij hebben al mogen stemmen bij de Tweede Kamerverkiezingen, dus dat ruim 70% van ons het in deze situatie graag ziet dat Mauro blijf waar hij is, doet er niet toe.

Maar er is niets aan de hand. Want Mauro mag voorlopig blijven en een studievisum aanvragen. Daarmee kan hij als vreemdeling in Nederland studeren. Maar deze jongen komt al over anderhalf jaar van school en verder studeren wil hij helemaal niet. En niemand weet wat er dan met hem gebeurt. Jammer, het is het enige dat de minister hem te bieden heeft.

Dit is, denk ik, vals spelen op hoog niveau. Hoog, omdat het een minister met macht is die aan de touwtjes trekt. Maar het is laag hoe het spel gespeeld wordt ten koste van een jonge man die meer dan genoeg heeft meegemaakt in zijn prille leven. Het is laag dat wetten en regels belangrijker lijken te zijn dan menselijkheid en rechtvaardigheid. Én het is dom, want er zijn nu alleen nog verliezers:

Allereerst Mauro, die niets anders wil dan blijven waar hij veilig en gelukkig is, thuis bij zijn pleegouders en broertje, waar hij al jarenlang woont.  En dan die landgenoten, inclusief Henk en Ingrid, die hebben laten weten dat hij niet weggestuurd mag worden. Zij kunnen niet meer dan boos en teleurgesteld een solidair traantje wegpinken bij het zien van de tranen in de mooie ogen van Mauro. Het CDA heeft haar geloofwaardigheid verloren, en daarmee logisch ook weer een paar zetels in de peilin
gen.  En de minister, die ooit zo sympathieke en rechtvaardige burgermeester, verliest zijn gezicht. Hij is afgegleden tot een pion van de coalitie die hij dient.

Ik kan over dit alles niets moois, verstandigs of poëtisch zeggen. Ik ben niet verbaasd, maar het raakt me dieper dan ik kan verwoorden. Claudia de Breij deed dat wel. Zij schreef een slaapliedje voor minister Leers. Luister zelf…

 


27 oktober 2011

Nepal [ 1 ]

Onlangs was ik met Joost, mijn partner, vier weken in Nepal. In verschillende opzichten een bijzonder land. De bergen en de natuur zijn overweldigend mooi. De mensen zijn vriendelijk, behulpzaam maar over het algemeen onvoorstelbaar arm. En politiek mankeert er van alles aan dat relatief kleine land dat ingeklemd ligt tussen China en India. Hoewel we rondgetrokken hebben in een gebied waar bijna alles draaide om toerisme, hebben we toch ook een redelijke indruk gekregen van het dagelijkse leven van de Nepalezen. Velen van hen danken hun inkomen aan mensen als wij, vakantie vierende Europeanen of Aziaten.  De komende tijd wil ik over mijn ervaringen in Nepal schrijven. Mocht je vragen hebben of iets aan mijn ervaringen toe willen voegen, dan nodig ik je uit om te reageren.


Stichting  “Holland Building” Nepal

Ergens halverwege onze vakantie ontmoetten we tijdens het ontbijt in ons hotel een Nederlands echtpaar, Co en Corrie Reijndersuit Enkhuizen. Tijdens het gebruikelijke uitwisselen van reiservaringen en verdere plannen vertelden ze dat zij deels in Nepal waren om te werken. Co en Corrie zijn de oprichters van en drijvende kracht achter Stichting “Holland Building” Nepal, in alle opzichten een bijzondere stichting met een verhaal dat mij meteen in mijn hart raakte. De Stichting heeft een uitgebreide website. Allereerst kun je hierop lezen hoe het allemaal begon:

“U zult zich ongetwijfeld de Bijlmerramp herinneren. De maandag daarvoor, op 28 september 1992, is een vliegtuig van de PIA verongelukt met 167 mensen aan boord. Een van hen was mijn zwager Ben van der Stam, 31 jaar. Van hem is (bijna) niets teruggevonden. Voor ons gevoel is hij opgenomen in de schoot van de goede aarde van Nepal waarheen hij op weg was als coördinator van de projectgroep RCA-Nepal. (Revalidatie Centrum Amsterdam). Als ergotherapeut had hij zich het lot aangetrokken van gehandicapte Nepalese kinderen en gaf hij adviezen om hun leefomstandigheden draaglijker te maken. (…) In 1996 zijn wij, mijn vrouw Corrie en ik, voor de 1e keer naar Nepal gegaan om het monument, dat inmiddels was opgericht ter nagedachtenis aan de slachtoffers, te bezoeken en waar alle namen zijn vermeld van de slachtoffers en uiteraard ook die van Ben van der Stam, de broer van Corrie. We hebben toen voor de 1e keer kennis gemaakt met de Selfhelp Group for Cerebral Palsy en we waren meteen verkocht…”LEES VERDER

Terwijl we samen koffie dronken in de warme ochtendzon van Nepal vertelt Corrie over de organisatie waarmee haar boer Ben in Nepal samenwerkte. “The Selfhelp Group for Cerebral Palsy, Nepal, is een non-government organisatie (NGO) die zich er zonder winstbejag volledig op toelegt om kinderen en volwassenen die aan Cerebral Palsy lijden te helpen en mentale en praktische hulp verleent aan de ouders. De groep die is gestart in oktober 1987, bestaat uit een team van medisch geschoolden, leerkrachten, ouders van gehandicapte kinderen, maatschappelijk werkers en vrijwilligers die gehandicapten willen helpen.”

De persoonlijke kennismaking met de mensen van de zelfhulpgroep en de kinderen waar het allemaal om draait, hebben  –  samen met de behoefte iets van het werk van Ben voort te zetten – geleid tot de oprichting van Stichting “Holland Building” Nepal”. Het doel: financiële en materiële hulp bieden aan kinderen in Nepal met Cerebral Palsy (CP = hersenbeschadiging).
Ouders die een kind krijgen met een hersenbeschadiging of een kind hebben dat op latere leeftijd een hersenbeschadiging opdoet, hebben begeleiding nodig. Kinderen met een hersenbeschadiging hebben medische ondersteuning nodig. Denk bijvoorbeeld aan een arts, fysio- of ergotherapeut. In Nepal komt daar nog een probleem bij. Nepalezen zijn grotendeels Hindoes. Dit geloof gaat ervan uit dat een kind dat geboren wordt met een beperking een straf is van de goden. Ouders weten hierdoor niet wat ze met hun kindje aanmoeten, waardoor ze soms op een onbegrijpelijke manier op hun kind reageren. Een van de kinderen die nu hulp krijgt van Stichting “Holland Building” is gevonden in een vuilnisbak.

Het toeval wilde dat The Selfhelp Group dit jaar 25 jaar bestaat en dit werd een week later, op 21 oktober, gevierd. We werden spontaan uitgenodigd om bij de festiviteiten rondom dit jubileum aanwezig te zijn. Een onvergetelijke ervaring. We gingen er samen met Co en Corrie heen. Trots lieten zij ons het “Holland Building” zien. Een prachtig gebouw. Wat zal het, voor zowel de kinderen als de medewerkers, fijn zijn om hier te werken.  De kinderen zagen er feestelijk uit. En Ik werd geraakt door de vrolijkheid op de gezichten van zowel de kinderen als de ouders. Hier was van een taboe absoluut geen sprake. Hier is niet alleen hard gewerkt om de kinderen te leren zo goed mogelijk met hun beperking te functioneren er is ook gewerkt aan acceptatie door het hele gezin.
Wat mij ook ontroerde was de manier waarop Co en Corrie zichtbaar thuiskwamen in ‘hun’ Holland Building. Er waren speeches en er werd gezongen, deels in het Engels, deels in het Nepalees. Ik kon dus lang niet alles verstaan. Maar ik voelde en begreep dat de boodschap van die dag was dat iedereen er van overtuigd is dat zowel The Selfhelp Group als de Holland Building hun bestaansrecht meer dan bewezen hebben.
Onze vakantie is verrijkt door deze ontmoeting met twee fantastische mensen en een bijzondere stichting. We zijn zeker van plan op de een of andere manier contact te houden en bezinnen ons op een manier om ons eigen steentje bij te dragen.

 


20 juli 2011

Vind jij mij lief?

Vandaag sprak ik Leonie, een vrouw van 62. Meteen toen ik haar kamer binnenkwam, bleek dat ze boos was op Toos, een van haar begeleiders. Toos had haar ‘alleen maar goede morgen’ gewenst ‘en verder niets’. Leonie had haar vervolgens uitgescholden bekende ze. ‘Ze zegt nooit dat ze me lief vindt, dat is toch niet aardig?’ Vroeg ze mij met een verontwaardigd gezicht maar een mengeling van verdriet en woede in haar stem.

Haar verstandelijke beperking maakt dat Leonie vrij primair reageert op de dingen die gebeuren en de mensen om haar heen. Als ze ergens onzeker of verdrietig over is, heeft ze veel bevestiging nodig. Als ze met iemand ruzie heeft gehad, kan de paniek toeslaan omdat die ene woordenwisseling haar het gevoel kan geven dat alles en iedereen zich nu tegen haar zal keren. En als Leonie het nare gevoel dat bij die onzekerheid hoort niet kan hanteren, wordt ze boos. Mensen die ze eigenlijk heel hard nodig heeft, maakt ze dan uit voor alles wat niet mooi is.
En zo trof ik haar aan, in verwarring. Op mij wil ze liever niet boos zijn. Een geestelijk begeleider is in haar ogen toch een soort dominee en daarvoor heeft ze, terecht of onterecht, een diepgeworteld respect. Zolang ik haar ken, heeft ze me slechts één keer naar mijn hoofd geslingerd dat ik een ‘stomme rotdominee’ ben waar ze ‘nooit meer iets mee te maken wil hebben’. Nu lukte het haar om haar angst en woede in toom te houden. Ik vroeg haar of ze de ruzie bij wilde leggen. En toen brandde ze los. ‘Die stomme Toos kan toch gewoon zeggen dat ze me lief vindt? Ze hoeft toch niet zo onaardig te doen? Ik heb haar alleen maar eventjes uitgescholden omdat ik boos was op Jan, omdat ik niet wilde ontbijten omdat ik uit wilde slapen.’ Ze sprak steeds sneller, struikelde over haar woorden en bewoog druk, op het puntje van haar stoel. Ik keek haar aan, luisterde en zei niets tot ze stil was. Ik had natuurlijk uit kunnen leggen dat je van iemand die je net de huid hebt vol gescholden niet kan verwachten dat hij met liefkozende woorden en complimenten reageert. Ik zou Leonie voor kunnen houden dat Jan en Toos er niets aan kunnen doen dat zij moet werken en op tijd moet komen. Maar het behoeft geen uitleg dat al die wijsheid olie op het vuur zou zijn. Dus ik vroeg: ‘Kan ik iets voor je doen?’ Ze keek me aan, pakte mijn hand en zei: ‘Je moet zeggen dat ik lief ben. Je vindt me toch lief? Mensen moeten toch tegen elkaar zeggen dat ze lief zijn. Dat moet toch?’
Het kunstwerk ‘vierkantjes verbonden’ is gemaakt door Lisette,
het hoort bij een bijzonder project. [klik hier]

 


4 juli 2011

Wat is waar?

De Franse schrijfster Tristane Banon, ze was al eerder in het nieuws met betrekking tot deze affaire, heeft aangifte gedaan van verkrachting tegen Strauss-Kahn. De hele zaak wordt steeds onduidelijker. Wat is er waar en wat niet? Daarover zijn veel gedachten en meningen. Maar sommigen zijn wel heel erg overtuigd van hun visie op deze bizarre kwestie.

Op haar blog geeft Liesbeth Wytzes met nogal grote stelligheid haar mening: “Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat zo’n man als Strauss-Kahn, met zoveel geld en zoveel invloed, die op de top van zijn veelbewogen carrière staat, die middenin de grootste financiële sores van de laatste vijftig jaar zit, dat zo iemand dat allemaal op het spel zet alleen om een New Yorks kamermeisje te bespringen.” [lees verder…]

Deze blogschrijfster noemt zich ‘vrouw van de wereld’. Van welke wereld? zou ik willen vragen. Daders van aanranding en verkrachting horen niet tot een bepaalde groep of klasse, ze zij niet bij voorbaat hoog of laag opgeleid en zijn niet perse rijk of arm. Verder zijn seksuele delicten lang niet altijd goed doordachte en geplande acties. Daders van dit soort delicten zijn in mijn ogen meestal mannen, met een laag of verknipt zelfbeeld, die niet met hun kracht, macht, en testosteronhuishouding om kunnen gaan. Vaak reageren ze stress, angst en andere vervelend gevoelens af door seksuele spanning en bevrediging te zoeken. Daarnaast bestaat er zoiets als seksueel ontremd gedrag en zijn er mensen die lijden aan een seksverslaving. Als dergelijke problemen aan de orde zijn, is iemand niet in staat om zijn gezonde verstand te gebruiken. Ook niet als hij zich kandidaat wil stellen voor de presidentsverkiezingen. Hiermee zeg ik niet dat ik vermoed dat Strauss-Kahn lijdt aan een van deze afwijkingen. Ik wil alleen laten zien waarom ik niet bepaald de indruk heb dat de ‘wereldse Liesbeth’ weet waar ze het over heeft.

En dan de (mogelijke) slachtoffers. Het is best denkbaar dat je op het idee komt om je te verrijken aan, of wraak te nemen op een kwetsbare man. Want Strauss-Kahn, een bekend persoon met macht, geld en grootste ambities, is op een bepaalde manier zeer kwetsbaar. Natuurlijk kun je vervolgens een bizar verhaal verzinnen, dit goed in je hoofd stampen en vervolgens aangifte doen van ernstig grensoverschrijdend gedrag. Maar… als je op zo’n idee komt, heb je hiervoor, in ieder geval in je eigen ogen, een reden lijkt mij. Ik denk dan aan: geldproblemen, jaloezie, woede of nog iets anders. In ieder geval iets waaraan een eventuele veroordeling tegemoet komt. Je strooit niet zomaar een valse beschuldiging de wereld in, je richt een ander niet zomaar ten gronde. Toch? Hoeveel mensen zullen ooit zo’n vergaand plan in zich op voelen komen? En hoeveel van hen zullen het werkelijk uitvoeren? Stel dat het allemaal verzinsels zijn. Waarom zou dat kamer meisje zoiets doen, wat zou haar reden zijn? En wat zou de drijfveer van Tristane Banon zijn?

We weten het niet en dat is vervelend, irritant zelfs. Daar kunnen we als ‘mensen van de moderne wereld’ niet zo goed mee omgaan. We denken de wereld te kunnen ordenen en verhelderen door met een gedachte, een idee of een wens de werkelijkheid in te kleuren. Feiten zijn alleen feiten als ze zijn aangetoond. Alleen als Strauss-Kahn bekent of als de dames toegeven dat het allemaal verzonnen is, zullen we weten wie er gelijk had. Dat is de enige wereldse werkelijkheid.

 


29 juni 2011

Ontmoetingen met Kopland

Afgelopen weekend was ik met een vriendin in Zuid-Limburg. Een weekendje wandelen in een omgeving waarvan we wisten dat het er mooi is, maar waar we nog niet of nauwelijks waren geweest. In eerste instantie zat het weer niet mee. Zaterdag regende het en was het onaangenaam koud. Dankzij de vriendin hebben we toch gewandeld. Acht kilometer door de kletsnatte omgeving van Valkenburg. Alleen het laatste half uur was het enigszins droog. Ik geef eerlijk toe dat het achteraf een goed gevoel was dat we dit gedaan hebben, maar op eigen kracht en initiatief was ik niet van de bank of de camping afgekomen.
Zondag was het droog, en rond de middag kwam de zon tevoorschijn. We hadden een wandeling uitgekozen in het Geuldal. Prachtig. Ik waande me werkelijk in het paradijs op aarde. Als je houdt van ongerepte natuur: groene weilanden waardoorheen een klein idyllisch riviertje stroomt, vogelgekwetter, en een wandelpad dat alleen zichtbaar is omdat het gras is platgetrapt, dan is het zeer de moeite waard om daar eens een kijkje te gaan nemen. We kwamen de nodige wandelaars tegen, maar iedereen leek onder de indruk van de schoonheid van dit mooie dal, rustig en ingetogen. In tegenstelling tot de dag daarvoor was het warm en adembenemend benauwd. Soms had ik het gevoel door een stoombad te wandelen. Ergens halverwege het dal kwamen we een gedicht van Rutger Kopland tegen. Het raakte me.

 

De roeier beschrijft in mijn ogen het onvoorspelbare van de natuur en het leven en het o zo bekende verlangen naar iemand die je ziet in je geworstel met de elementen. Ik heb er een foto van gemaakt zodat ik het thuis nog eens terug kon lezen.

Vandaag was ik aanwezig bij een studiemiddag over de HBO-bachelor Geestelijke Verzorger. Een ontmoeting met opleiders, werkgevers en vakgenoten. We hebben onder andere stil gestaan bij de noodzaak van een goed beroepsprofiel voor de geestelijk verzorger die afstudeert aan de HBO-opleiding Godsdienst-Pastoraal werk naast het profiel dat bestaat voor universitair opgeleide geestelijk verzorgers. Het was bijzonder om hierbij aanwezig te zijn. Ik heb mijn opleiding drie jaar geleden afgerond, en ben sindsdien aan het werk. Ik geniet van mijn werk, voel me als een vis in het water. Over mijn opleiding denk ik nog maar zelden na. Mijn denken en doen worden bepaald door al die verschillende werkzaamheden waarbij mijn cliënten centraal staan. Natuurlijk horen daar een aantal belangrijke competenties bij zoals een professionele werkhouding, kennis van bestaande religies, en je bewust zijn van het feit dat je vooral bezig bent zingevingsvragen en het spiritueel welbevinden van cliënten. Maar toch… ik heb inmiddels geleerd dat het allereerst gaat om interesse, diepe interesse voor de ander en een oprechte bereidheid om contact te maken en aandachtig aanwezig te zijn. Aandacht en empathie. Dat zijn in mijn ogen de belangrijkste aspecten van mijn vak. En juist vanuit dat besef, ontdekte ik vandaag opnieuw, is het belangrijk scherp te blijven waar het gaat om professionaliteit, verantwoordelijkheid en de grenzen van mijn eigen mogelijkheden.
Het was een boeiende middag. Geïnspireerd en tevreden verliet ik het conferentiecentrum waar we te gast waren. Toen pas zag ik bij de ingang een bord met daarop een gedicht van, jawel, Rutger Kopland. En weer raakte het me. Ook nu viel het samen met de sfeer waarin ik kort daarvoor ondergedompeld was geweest. Beukenlaan, een poëtische aanzet om te komen tot een goed beroepsprofiel?

 


28 mei 2011

Even bij de buren
Wij hebben een hamster. Hij woont in een frettenkooi. Dit omdat we het nogal zielig vinden om welk dier dan  ook op te sluiten. Toby, zo heet het beestje, heeft dus in een soort kasteel van tralies. Maar ook dat blijft een kooi, dus ’s avonds als we thuis zijn, mag hij vrij door de huiskamer lopen. Vaak klimt hij op zo’n avond wel een paar keer via mijn broekspijpen bij me op schoot om net zo snel weer te verdwijnen. Sinds kort kan hij via het gordijn op de vensterbank klimmen en soms gaat hij uit zichzelf terug in zijn kooi, niet omdat hij er genoeg van heeft, maar om een deel van zijn eten op te halen en ergens in een hoekje, bijvoorbeeld achter een gordijn, een extra voedselvoorraad aan te leggen. Hamsteren heet dat. Kortom, Toby is een slim, ondernemend dier dat geniet van de vrijheid die hij krijgt.

Zo ook vrijdagavond. Op een goed moment werd ik me ervan bewust dat ik hem al een ‘hele tijd’ niet meer had gehoord of gezien. ‘Oeps,’ wist ik ineen, ‘ik heb de kamerdeur open laten staan toen ik in de keuken een drankje ging halen’. En ja, dat vindt dat kleine knaagdier reuze interessant. Die deur houdt hij altijd nauwlettend in de gaten.
Al eerder hebben we hem onder het aanrecht gevonden, toen was hij door een erg klein roostertje onder de koelkast gekropen. Maar daar leek hij nu niet te zitten. Sterker nog, hij leek nergens te zitten. We hebben het hele huis uitgekamd, nergens een spoor van Toby. En dat bleef zo. Ook de volgende morgen, ik hoopte dat hij gewoon terug naar zijn kooi was gegaan om te slapen, was hij nog spoorloos. We hebben het advies dat we op internet vonden opgevolgd: ‘zet in alle kamers een bordje voer op de grond en houd de deuren dicht. Je ontdekt dan vanzelf waar hij zit’, maar ook dat leverde geen enkel levensteken, zelfs geen hamsterkeutel op. Het hele weekend bleven we te pas en te onpas vanuit onze ooghoeken zoeken naar onze kleine huisgenoot.
Maandagochtend begon ik de hoop op te geven. Omdat we die avond op vakantie zouden gaan, ging ik even naar de buurvrouw. Zij zou voor Toby, de konijnen en de cavia’s zorgen. Toen ik haar vertelde dat we Toby al drie dagen kwijt waren, keek ze me verschrikt aan, trok wit weg, en stamelde: ‘Toby kwijt… ohh Elsz… ooh Toby…wat erg’. Ik keek haar verbaasd aan. Ook ik vond het erg jammer dat we onze kleine vriend waarschijnlijk nooit meer terug zouden zien, maar dat de buurvrouw daar zo van onder de indruk zou zijn… ‘O wat erg,’ zei ze nogmaals en vertelde toen met de schrik in haar stem: ‘zondagavond ging ik iets uit de kelder halen en toen zag ik een muis, althans, ik dacht dat het een muis was. Het was wel een hele dikke, of het was een rat. Maar hij had geen staart. Maar dan was het… natuurlijk het was Toby… Oh, wat erg’ – Ik wilde net enthousiast roepen dat hij daar waarschijnlijk nog steeds zou zitten, toen ze al verder ging – ‘we hebben toen een muizenval gezet.’ Ik voelde mijn maag even samenkrimpen, maar iets in mij zette zich over het schrikbeeld van Toby in een muizenval heen. In een paar passen was ik bij de kelder en al vanaf de tweede tree van de trap naar beneden zag ik die muizenval staan. Schijnbaar houdt Toby niet van pindakaas of hij voelt zich te goed voor een muizenval. Hoe dan ook, wij konden wel dansen van blijdschap.

toby1 (4)Onder het genot van een kop koffie bedachten we dat we een oud kooitje zouden vullen met zaagsel, voer en water en dat we dat in de kelder van de buurvrouw zouden zetten. De kans was groot dat hij daar vroeg of laat in zou kruipen. Na een tweede kop koffie bedacht ik dat hij misschien best naar me toe zou komen als ik hem gewoon zou roepen. Dat deed hij thuis immers ook. Dus ik nog een keer de kelder in. Op mijn: “Toby kom eens hier joh” kwam hij meteen achter een kratje vandaan, dribbelde naar me toe en liet zich oppakken of er niets aan de hand was. Hij was stoffig en zelfs een beetje plakkerig, maar het was echt onze klein rat, zoals we hem liefkozend wel eens noemen.

Hoe hij bij de buren terecht is gekomen zullen we nooit weten, maar voorlopig is zijn kooi groot genoeg.

 


14 mei 2011

Strijdbaar Inholland

Forke & Sukke - Inholland

Een cartoon van Fokke & Sukke. Objectief gezien niet beter of leuker dan vele anderen.
Maar toch…

Ook ik ben afgestudeerd aan Inholland. In 2004. Hoewel ik mijn studie begon aan de Hogeschool van Amsterdam werden wij halverwege weg-gefuseerd naar Inholland in Amstelveen. Ik was daar niet blij mee. Van de dynamische Wibautstraat verhuisden we naar een saaie wijk in genoemde keurige voorstad. De ons vertrouwde docenten verhuisden mee. Ogenschijnlijk veranderde er niets. Hoewel we organisatorisch in een onoverzichtelijke chaos terecht kwamen was er inhoudelijk weinig of niets aan te merken op de modules en colleges die wij als geestelijk verzorgers in de dop volgden. Ik heb mijn tentamens en examens met geruststellende cijfers gehaald. Ik ben blij met mijn diploma en op mijn afstudeerscriptie ben ik ronduit trots.

Maar toch, ik weet niet of het alleen het gemis van de turbulente hoofdstad was, het feit dat ik een diploma kreeg van een hogeschool waarvoor ik zelf niet gekozen had, zat me niet lekker. Inholland was gewoon niet mijn merk. Het splinternieuwe gebouw waarin we in Amstelveen de colleges volgden, voelde niet als een ‘echte‘ hogeschool. Te nieuw, te leeg, te bedacht. De tijd had nog geen sporen nagelaten. En, ik voelde dat de fusie geen vrijwillige keuze was van de vakgroep theologie en levensbeschouwing. Het was het gevolg van het beleid dat destijds was uitgestippeld.

Dus ook op mijn diploma staat het oranjeroze Inholland-logo. Ik was er al niet blij mee en door de negatieve manier waarop deze hbo-opleiding op het moment in het nieuws is, zou je kunnen denken dat ik er graag de door Fokke en Sukke voorgestelde sticker overheen zou plakken. Maar dat is niet waar. Juist als er tegen de stroom in gezwommen moet worden, word ik wakker. Het zal absoluut kloppen dat de genoemde Inholland-opleidingen onder de maat zijn en dat er studenten onterecht aan een diploma zijn geholpen. Maar, dit zegt niets over de kwaliteit van studenten en docenten van andere studierichtingen. Het zegt ook niets over studenten van de vier genoemde studies die zich wel te pletter hebben gewerkt om er echt iets van te maken. Een paar rotte appels zeggen niets over de boom, of de andere appels.

Er gaan nu stemmen op voor een andere naam om de slechte naam zo snel mogelijk te doen vergeten. Ik begrijp de reactie, ik kan me verplaatsen in de emotie, vooral als het gaat om jonge studenten die nog aan het begin staan van hun carrière en hoegenaamd niets anders dan dit diploma op hun CV hebben staan. Toch lijkt het mij een slecht idee.

Ik voel meer voor een actie om de goede, betrouwbare Inholland studenten én docenten op de kaart te zetten. Waarom zouden we ons neerleggen bij een imago dat niet op ons van toepassing is? Het doet me een beetje denken aan al die landgenoten van Marrokaanse afkomst die opdraaien voor dat kleine groepje dat niet wil deugen. Mensen die niet willen deugen zijn er in ieder land in iedere cultuur, in iedere land, iedere stad en binnen ieder opleidingsinstituut.

Laten we van Inholland een geuzennaam maken. We liggen onder de loep. Een kans om te laten zien wie we zijn.

 


9 mei 2011

Kistjes en margrieten

margrietenDe cliënten op mijn werk worden deze week uitgenodigd om in een kistje een zelfportret te maken. Het gaat er niet om dat ze er een foto of gelijkende tekening in plakken, maar dat ze laten zien wie ze zijn als mens. We vragen hen een soort drie dimensionale collage te maken die laat zien: ‘hier ga ik voor, hier houd of geniet ik van. Bij  hem of haar wil ik horen of dit hoort bij mij.’ Op de Dag van de Cliënt, die we jaarlijks vieren, houden we vervolgens een grote expositie van al die zelfportretten. Het thema is, hoe  kan het anders, ‘Dit ben ik’.

Ik vind het een spannend project, gegrepen uit het hart van een geestelijk begeleider. ‘Wie ben ik? Waar ga ik voor?‘ zijn grote levensvragen die alles te maken hebben met zingeving en levensbeschouwing. En is het niet op een mooie manier van symbolische waarde dat een portret in een kistje een extra dimensie krijgt.
Een prachtig plan, maar waar haal je een grote partij kistjes vandaan? Nieuwe zijn duur en tweedehands  konden we ze niet vinden. Op advies van een collega heb ik de stoute schoenen aangetrokken, op internet gezocht en vervolgens Krepel Casettes in Klarenbeek gebeld. De sales-man begreep mijn vraag onmiddellijk. Hij beloofde op zolder op zoek te gaan naar vergeten monsterexemplaren. Een week of twee later kon ik zo’n zeventig prachtige kistjes komen halen.
Omdat we niet weten hoeveel cliënten er meedoen, heb ik diezelfde stoute stappers nog eens aangetrokken. Deze keer heb ik gegoogled op ‘houten wijnkistjes’ en al heel snel draaide ik het telefoonnummer van Emkapak in Den Bosch. Vijf minuten later wist ik dat er een pallet afgekeurde kistjes voor ons klaarstond. Kistjes waarvan de deksels kapot zijn, waardeloos voor de fvdd 004handel, maar precies wat wij nodig hebben. Vandaag hebben we ze opgehaald. Een aardige en handige magazijnmedewerker hielp ons om ze in de auto stapelen en een kwartier laten waren we uitgelaten op weg naar huis.

En nu ben ik blij-verrast door het gemak waarmee we gevonden hebben wat we zochten. De vanzelfsprendheid waarmee de mensen van genoemde bedrijven op mijn vraag insprongen. Om contact met hen te zoeken heb ik over een enorme drempel heen moeten klimmen. Het gaf mij het gevoel dat ik schooide, dat ik om iets vroeg waar ik geen recht op heb. Dat doe je niet. Zo ben ik opgevoed, meen ik me te herinneren.  Maar ineens herinnerde ik me ook dat mijn vader, hij had een schoenwinkel, wel eens een doos vol teenslippers heeft meegeven aan een kennis van ons. Hij werkte in de missie op Curaçao en wilde het liefst zoveel mogelijk bruikbare spullen mee terugnemen. Die slippers, waar grote plastic margrieten opzaten, waren uit de mode, maar nieuw en goed. Ik was een jaar of negen en erg onder de indruk van het idee dat  ‘onze teenslippers’ voor zo’n mooi doel, de arme kindertjes op dat verre eiland, zo’n lange reis zouden maken. Een paar weken later kregen we een brief met een foto. Een zwart-wit plaatje waarop een rommelig groepje lachende, dansende zwarte kinderen te zien was. Kleren hadden ze nauwelijks aan, maar ze hadden allemaal pastic margrieten op hun tenen.

Misschien voel ik me vandaag als de kinderen op die foto.


26 april 2011

God en het Echte Leven

April is de maand van de filosofie met dit jaar als thema: Het Echte Leven. Hoewel ik me verheugd had op alles wat er te doen, beleven en lezen was, heb ik er nauwelijks iets van meegekregen. De reden? Het echte leven nam me volledig in beslag. Nu is die maand bijna voorbij. En ineens heb ik toch behoefte om stil te staan bij het Echte Leven en vooral dat van mensen met een verstandelijke beperking en de vragen die hen bezig houden.

In mijn werk praat ik met mijn cliënten over de pijn, de vreugde, het verdriet die het bestaan met zich meebrengt. Soms laten we op de dingen waarover we praten Gods licht schijnen. Zoals veel mensen vragen ook zij wel eens waarom God niet ingrijpt als iemand verdrietig of ziek is en waarom Hij van die vreselijke rampen laat gebeuren in hun eigen leven of elders in de wereld. Soms leg ik dan uit – dat iedereen natuurlijk mag geloven wat hij wil maar – dat ik niet geloof dat God een soort Grote Baas is die bepaalt wie ziek wordt, wie een beperking heeft, wie gelukkig wordt en wie moet sterven. Maar dat ik geloof dat we allemaal een stukje van God en Gods liefde in ons meedragen. Dat die liefde ons laat voelen dat we bij elkaar horen en dat dit mij vaak helpt om vol te houden als ik iets heel moeilijk vind of dapper te zijn als ik bang ben.
Afgelopen zondag hebben we tijdens onze Paasviering stilgestaan bij de opstanding van Jezus en de vraag wat die opstanding nu nog in ons eigen leven zou kunnen betekenen. Zouden we Jezus, net als Maria en Maria Magdalena, zomaar ergens tegen kunnen komen? Of zou het kunnen dat we hem op een mooie dag zonder het zelf te weten in ons huis uitnodigen,  zoals de Emmaüsgangers overkwam? Wat kunnen we in het Echte Leven met die opgestane Jezus? Leg dat maar eens uit aan mensen met een verstandelijke beperking. Gelukkig kwam ik een paar weken geleden het volgende verhaaltje tegen:

Picknick met God

Er was eens een kleine jongen die God wilde ontmoeten. Hij wist wel dat het een verre reis zou worden om bij God te komen, dus pakte hij zijn kleine koffer en stopte die vol met koekjes en pakjes sap. Zo ging hij op weg. Hij was nog maar langs drie grote flats gegaan, toen hij een oude vrouw zag. Ze zat op een bank in het park en staarde zo’n beetje naar de duiven. De jongen ging naast haar zitten en deed zijn koffer open. Hij wilde wat drinken, maar toen hij net een slok wilde nemen, merkte hij dat de vrouw er erg hongerig uitzag. Daarom bood hijgod en het echte leven haar een koekje aan. Zij nam het dankbaar van hem aan en glimlachte naar hem. Haar glimlach was zo intens mooi, dat hij het nog eens wilde zien en daarom gaf hij haar ook een pakje sap. Opnieuw schonk zij hem haar glimlach. De jongen was helemaal vertederd en verrukt! Zo zaten ze daar de hele middag, aten en glimlachten, maar er werd geen woord gesproken.
Toen het begon te schemeren voelde de jongen zich moe worden. Hij stond op om naar huis te gaan. Maar na een paar stappen draaide hij zich om, rende terug naar de oude vrouw en omhelsde haar heel stevig. En zij schonk hem een stralende glimlach. Toen de jongen even later thuis kwam, verbaasde zijn moeder zich over de vreugde die op zijn gezicht lag en zij vroeg: “Wat heb je vandaag gedaan dat je zo blij bent?” En hij antwoordde: “Ik heb met God gepicknickt.” Nog voordat zijn moeder nog verder kon vragen zei hij: “En weet je, zij had de mooiste glimlach die ik ooit gezien heb!” Intussen was ook de oude vrouw stralend van vreugde thuisgekomen. Haar zoon was verbluft toen hij die vredige uitdrukking op haar gezicht waarnam. Hij vroeg: “Moeder, wat heb je vandaag beleefd, wat heeft je zo gelukkig gemaakt?” Zij antwoordde: “Ik heb in het park koekjes gegeten met God.” En voordat haar zoon nog iets kon zeggen, vervolgde ze: “En weet je, hij is veel jonger dan ik dacht!”

Dit verhaaltje heb ik gevonden op: www.zinnigeverhalen.nl

 


27 maart 2011

Vrede in de file

Het is woensdagmiddag, vier uur en druk in Zutphen. Ik ben aan de late kant, ongeduldig en een beetje chagrijnig. Ik probeer me te verzetten tegen een lome vermoeidheid die langzaam maar zeker bezit van me neemt. Ik heb nog minimaal vier werkuren en vijf afspraken voor de boeg. Met een zucht rem ik af en sta voor de derde keer stil voor hetzelfde verkeerslicht. Op de radio het journaal met de laatste berichten uit Libië en Japan. Mijn gedachten dwalen af naar het geweld in Noord Afrika en die kernramp in Fukushima, beide zo onvoorspelbaar en bedreigend voor de mensen die er leven.
Dan wordt mijn aandacht afgeleid door de auto die voor me in de stoplichtfile staat. Een klein Japannertje met op de voorbank twee jongens. Ik weet niet waarom, maar ze wekken mijn interesse. Ik staar loom naar hun gespierde blote armen, aan allebei de kanten steekt een elleboog door het raampje naar buiten. Ondanks het heerlijkvrede_designe lenteweer een beetje overmoedig, vind ik. De dreadlocks van de chauffeur steken naar alle kanten boven zijn hoofdsteun uit. De heren zijn druk in gesprek en hebben lol. Door hun beweeglijkheid lijkt het autootje nog kleiner dan het in werkelijkheid is. Meestal lukt het niet om via een achteruitkijkspiegel contact te maken, maar nu valt het licht zo dat ik op een goed moment in het vrolijke, donkere gezicht van deze jongeman kijk. Onze blikken kruisen elkaar. Hij  lacht en steekt zijn hand op, zijn vinger vormen het vredesteken. Als ik mijn hand ook opsteek, stoot hij zijn buurman aan, grijnst en steekt vervolgens zijn duim omhoog. We kijken elkaar nog even lachend aan als het stoplicht op groen springt. Honderd meter verderop slaat hij rechtsaf. Ik rijd door en realiseer me dan dat ik nog steeds glimlach. Ik voel me een stuk beter dan een paar minuten daarvoor.


16 maart 2011

Zojuist een trommeltje opgediept
vol souvenirs van het verleden
nostalgisch bewaard bijna vergeten

kleine demonstraties, driewerfjes Nee
principes onvoltooid haast verlegen
weggestopt als uit de tijd en erg versleten

wanneer staakte ik mijn Nee Bedankt!
waren we collectief wat minder tegen?

nu spreken de feiten voor zichzelf
ze onderstrepen de menselijke maat
ze illustreren dat we veel niet weten

de elementen gaan hun natuurlijke gang
onbekende risico’s kun je niet taxeren
paniek en angst laten zich niet meten.

 


21 februari 2011

Beperkt en een kinderwens

Als iemand met een verstandelijke beperking zegt: ‘Ik wil graag een kind’, dan gaan alle alarmbellen rinkelen. ‘Er rust een groot taboe op’, stelt GZ- psycholoog Marja Hodes. ‘Maar door er niet over te praten, keren zij de hulpverlening de rug toe. En die kinderen komen er dan toch wel.’ (…) Wanneer je aan mensen vraagt wat zij belangrijk vinden in hun leven, dan hoort het vormen van een gezin en het krijgen van een kind daarbij, aldus Hodes. De informatie over wat er allemaal in je leven verandert en wat je moet doen en kunnen, ontbreekt echter. ‘Vooral mensen met een licht verstandelijke beperking vallen wat dat betreft buiten de boot’, vindt ze. Voor haar een reden om een koffer te maken met informatie, zodat de kinderwens bespreekbaar wordt. ‘Het gaat niet om ontmoedigen of bemoedigen’, benadrukt Hodes. ‘Het gaat er vooral om dat het duidelijk wordt wat zo’n grote beslissing inhoudt.’ Het hele artikel lezen? Klik hier.

Hoe zou je iemand kunnen verbieden een wens of een verlangen te hebben? Natuurlijk mag iemand met een verstandelijke beperking een kinderwens hebben. Daarover heb ik dan ook geen enkel oordeel. Zodra ik echter verder denk, loop ik vast in tal van vragen en twijfels. Of beter, loop ik over van de oordelen. Niet omdat ik denk aan de veelgehoorde opmerking dat “heel veel normaal begaafde ouders er ook niet veel van bakken”. Dat is een ander probleem. De wens om een kind op de wereld te zetten is een normale natuurlijke behoefte die hoort bij mensen. En van je kind houden of voor hem door het vuur willen gaan, komt voort uit dezelfde oerdrang. Beide hebben niets met intellect te maken. Maar de mogelijkheid om het kind op te voeden is, bij de mensen waar het hier over gaat, helaas niet even vanzelfsprekend aanwezig.

Een kind heeft een gezonde en veilige omgeving nodig. Wat dit betekent, verandert voortdurend. Iedere fase in de ontwikkeling van een kind brengt zijn eigen vragen, behoeftes en problemen met zich mee. Je moet je kunnen verplaatsen in de fysieke en emotionele behoeften van je zoon of dochter. Dit vraagt soms dat je jezelf op het tweede plan zet of in ieder geval dat je wel eens keuzes moet maken die tegen je gevoel ingaan. Je moet beslissingen nemen die te maken hebben met welzijn en toekomst. Veel van die zaken zijn niet concreet of praktisch maar vragen enig vermogen om abstract te denken. Mensen met een verstandelijke beperking hebben met al deze punten in meerdere of mindere mate moeite. Zeker in een maatschappij die op geen enkele manier is ingericht op burgers met een laag denk- en belevingsniveau.

We kunnen mensen met een verstandelijke beperking niet verbieden om een kinderwens te hebben of aan die wens gehoor te geven. In praktische zin kan het ook niet. Want hoe bepalen we wie wel of juist niet? Wanneer ben je net begaafd genoeg of juist net te beperkt? En dan hebben we het nog niet gehad over degenen die niet alleen een (lichte) verstandelijke beperking hebben maar daarnaast kampen met een ontwikkelings- of persoonlijkheidsstoornis. Maar het gaat hier niet om een praktisch probleem. Wat dit vraagstuk zo indringend en bijna pijnlijk maakt, is dat het hier om een ethisch dilemma gaat. Het belangrijkste kenmerk van een ethisch dilemma is, dat het van verschillende, vaak tegengestelde kanten benaderd kan worden en dat er geen antwoord is dat aan al die kanten tegemoet komt.

babyvoetjesHoe dan ook, met het allerbelangrijkste, het ‘houden van’, het geven van liefde, zal het bij ouders met een beperking niet anders zijn dan bij iedere andere ouder. En ook het kind zal onvoorwaardelijk van zijn papa en mama houden en eindeloos loyaal aan hen zijn. Maar de kans is groot dat hij op zijn twaalfde meer van de wereld begrijpt dan zijn ouders.

Laat die koffer zijn werk doen.

 


16 februari 2011

Wat voor verschil maakte deze dag in je leven?

Deze vraag werd door Annemiek Schrijver gesteld aan Sara Kroos, in het programma Nachtzoen uitgezonden op 15 februari jl. Sara realiseerde zich dat ze zich misschien iets te veel begraven had in haar werk. Misschien had ze te weinig aandacht gehad voor degenen die haar lief zijn. Een eerlijk antwoord, het is waarschijnlijk wat er op dat moment in haar op kwam, denk ik. Want opgaan in je werk kan immers wel degelijk verschil maken. Voorafgaand aan dit antwoord las Sara overigens een prachtig gedicht van Slauerhoff voor: klik hier.

0304 - lichtpuntjesWat voor verschil maakte deze dag in je leven?  In mijn werk gaat het vaak over deze vraag of allerlei varianten hierop. Vandaag had ik een afspraak met Tjeu, een jongeman met een verstandelijke beperking. Meteen bij binnenkomst vertelde hij dat Jasper, een man die bij hem op het activiteiten centrum werkte, maandagnacht is overleden. Hij was verbaasd dat ik dit verdrietige nieuws nog niet gehoord had. Verbaasd en een beetje trots want hij had nieuws voor mij. Met zijn jas nog aan, stelde hij voor om een kaarsje aan te steken voor Jasper. Terwijl hij de lucifer bij het lontje hield, zei hij met een zucht: ‘Jammer hoor, nu heeft ie net zijn pensioen gemist’. ‘Oh,’ vroeg ik, zou hij dit jaar 65 worden?’ Weer lichtte het gezicht van Tjeu op. ‘Ja, wist je dat niet? Over een paar maanden.’

Nadat we nog even over Jasper hadden gepraat, heb ik Tjeu gevraagd hoe het met hemzelf gaat, daar kwam hij tenslotte voor. Hij vertelde over de dingen die hem bezighouden om uiteindelijk uit te komen op een thema dat we vaker bespreken: Hij vindt het moeilijk om zijn beperkingen te accepteren. Hij zou graag net zo zelfstandig zijn als zijn jongere zusje. Zij is getrouwd en heeft een baan. ‘En straks krijgen ze natuurlijk kinderen,’ zegt hij zacht. Hij kijkt me een beetje triest aan. Het vlammetje van het kaarsje flakkert in zijn brillenglazen. ‘Ik ben niet jaloers hoor, maar eigenlijk wil ik al die dingen ook, een eigen huis en zo. En dat kan niet. Ik word nooit echt zelfstandig, ik heb bij alles hulp nodig. Niemand heeft iets aan mij, wie heeft mij nou nodig?’

De stilte die na deze woorden viel was vol verdriet. Ik denk niet dat het zin heeft om na een dergelijke ontboezeming meteen een vraag te stellen of met een tegenwerping te komen. ‘Ik denk dat ik begrijp wat je bedoelt.’ Zei ik na een tijdje. ‘Dat weet ik’ zei hij en glimlachte dapper. ‘Maar,’ zei ik, ‘er is wel iemand die jou nodig heeft. Ik ben heel blij met jou. Jij hebt mij verteld dat Jasper is overleden, jij hebt aan dat kaarsje gedacht. En ik kan me ook nog allerlei andere dingen herinneren waarbij je mij en anderen goed hebt geholpen. Want jij vergeet nooit iets.’ ‘Ja, en jij vergeet altijd van alles.’ Tjeu kijkt me met iets meer glimlach tevreden aan. ‘Zullen we een nieuwe afspraak maken?’ Deze opmerking is zijn manier om aan te geven dat we lang genoeg gepraat hebben. Als hij de deur uit gaat, draait hij om en knikt naar Jaspers kaarsje: ‘Niet uitblazen hoor’.

Vandaag maakte Tjeu dat verschil voor mij.


3 februari 2011

 

Basis RGB

Wat een heerlijk, simpel idee. Voor de site, klik hier. “Doe een extra trui aan en zet de verwarming een graadje lager.” Het is bijna jammer dat het vandaag al een ietsepietsje lente leek. Of misschien juist wel: Als het morgen weer zo’n lekker weer is, wacht even om je winterkleren uit te gooien, hoe heerlijk dat ook kan zijn aan het eind van de winter. Hou die trui nog even aan en zet de verwarming niet één maar twee graadjes lager.

warmetruiendag1

 


31 januari 2011

Doe Normaal

Ik zag haar op 18 januari jl.  in het BNN-programma Je zult het maar hebben. Thiandi Grooff. Een jonge vrouw, studente aan het Amsterdam Universitair College en schrijfster van het boek Doe Normaal, dagboek van een Dino. Ze vertelt over haar leven met haar familie van wie ze zielsveel houdt, maar vooral over het leven met een ernstige fysieke beperking in een weerbarstige samenleving.
Haar levensverhaal is even bizar als bijzonder. Thiandi kan niet spreken en ze heeft te weinig controle over haar spieren om gebarentaal te leren of met oogsignalen op vragen of informatie reageren. Daar kwam bij dat ze haar lichaam niet helemaal onder controle heeft en, vooral als ze gespannen is, geluiden maakt zonder dit te willen. Hierdoor werd veertien jaar lang aangenomen dat ze een zware verstandelijke beperking had. Niets was minder waar. Haar verstandelijke ontwikkeling verliep normaal. Ze begreep alles wat ze zag of hoorde. Haar geheugen werkte van jongs af aan prima evenals haar vermogen om te denken en te analyseren. Maar met al haar talenten en mogelijkheden zat ze opgesloten in een beperkt lichaam. En daarom was er in de maatschappij geen plaats voor haar.

Gelukkig hebben haar ouders, José en Trix, als leeuwinnen voor hun dochter gevochten. Ze hebben gezorgd dat Thiandi naar school kon, ook al moesten ze daarvoor naar Italië en Engeland. Dankzij hun onverwoestbare geloof in hun dochter zijn ze in aanraking gekomen met Facilitated Communication, een communicatiesysteem dat wel bruikbaar is voor Thiandi en waardoor ze sinds vijf jaar kan zijn wie ze is: slim, nieuwsgierig, levenslustig, leergierig en sociaal bewogen. Thiandi kan nu communiceren en contact maken met de mensen om haar heen.

thiandi grooff tijdens de presentatie van haar boekNa het zien van bovengenoemde uitzending heb ik haar website bezocht en haar boek besteld. Ik wilde Thiandi’s verhaal lezen. Ik was niet zozeer in de indruk van haar handicap, als wel van het isolement waarin ze tot haar veertiende heeft geleefd. Ik heb Doe Normaal gelezen. Een mooi ontroerend dagboekverslag van een jonge meid die vecht voor haar sociale en intellectuele leven. Ik raad iedereen aan het boek te lezen. Het is een unieke kans om je enigszins te verplaatsen in de strijd die Thiandi heeft gevoerd en de weg die ze heeft afgelegd om te komen waar ze nu is. Ik wil er het volgende over zeggen.

Kijken naar mogelijkheden in plaats van beperkingen
Ik heb vanaf mijn twintigste gewerkt met mensen die kampen met de meest uiteenlopende fysieke, psychische en verstandelijke beperkingen. Ik heb van deze mensen geleerd dat bijna iedereen mogelijkheden en talenten heeft. Ik zou over mijn ervaringen en de mensen die ik heb leren kennen een boek kunnen schrijven. Misschien moet ik dat nog eens doen want helaas is er voor heel veel prachtige mensen weinig aandacht in de wereld buiten de instellingen en organisaties waar zij wonen en werken.
Na het halen van haar Vwo-diploma heeft Thiandi grote moeite gehad om een universiteit te vinden die haar toelaat. Het onderwijssysteem is niet ingesteld op haar handicap. We leven in de 21e eeuw. Op technisch gebied is bijna alles te realiseren. Waarom is het dan niet mogelijk om een uniek persoon als Thiandi deel te laten nemen aan een studieprogramma dat bij haar past? Wat voor voorbeeld geeft zo’n universiteit aan haar studenten? Is dit het Nederland waar wij willen wonen of zijn we als maatschappij bereid om in de keuzes en afspraken die we met elkaar maken rekening te houden met mensen die anders zijn, anders maar waardevol.

Angst of contact?
Thiandi laat zien hoeveel het uitmaakt dat er mensen zijn die in je geloven. Mensen die open staan voor je mogelijkheden en zich niet blindstaren op  je beperkingen. Inmiddels studeert Thiandi en ze heeft haar dagboek gepubliceerd. Ze heeft assistenten die haar helpen om te studeren en zelfstandig te wonen. Ze heeft vrienden en doet nu veel dingen waar ze jarenlang alleen maar van droomde.  Maar in haar middelbare schooltijd schreef ze regelmatig over haar grote behoefte aan normaal, gezellig contact met nieuwe mensen en leeftijdgenoten. Ze voelde zich buitengesloten. Medeleerlingen en docenten hadden moeite met haar handicap en dus met haar. Dit maakte haar eenzaam.
Wij leven in een samenleving die schijnbaar maar één maat hanteert. En de lat van die maat ligt vaak belachelijk hoog en er zit geen greintje beweging in. Of je geaccepteerd wordt als collega, werknemer, buurvrouw of student hangt niet zelden af van de eerste indruk die men van je heeft en dus ook van de zichtbaarheid en bekendheid van je beperking, je gedrag of je uiterlijk. Dit zegt iets over onze maatschappij. Maar die maatschappij zijn wijzelf. Toch?
Wat is onze persoonlijke verantwoordelijkheid hierin? Wat doen jij en ik hieraan? Zijn wij bereid om contact te maken met die buurvrouw die zich zo vreemd kleed en er zo eenzaam uitziet; die blinde klasgenoot; die jongen uit Iran, op de sportclub; die dakloze die je morgen op straat toevallig tegenkomt of met die collega in die rolstoel?

Thiandi strijdt samen met haar ouders, Trix en José, en heel veel anderen voor Inclusion (klik hier), een maatschappij en onderwijssysteem waarin mensen met beperkingen opgenomen worden als volwaardige medemensen. De website van Thiandi: www.thiandigrooff.nl


18 januari 2011

De herorat, een oorlogsheld

Het nieuwe jaar is al 18 dagen oud en ik heb nog geen post toegevoegd aan mijn blog. Niet dat er niets gebeurt, integendeel. De potentiële onderwerpen vliegen me om de oren: Wikileaks. Hoezeer ik ook voor openheid ben, voor mij is het een te moeilijk fenomeen. Je  kunt het van zoveel verschillende kanten bezien. Wat moet ik er over zeggen? Dan de opeenstapeling van natuurrampen verspreid over de wereld. Vreselijk, maar verder dan: ‘we hebben de natuur veel minder in de hand dan we soms denken en misschien zouden willen’, kom ik niet. En ook giro 555 roept steeds meer twijfel en discussie op. Of de dappere poging van de linkse oppositie om zo sterk te worden dat ze dit kabinet een halt toe kan roepen. Is deze poging net zo realistisch als dapper? En los daarvan, zitten we nu te wachten op alweer een val en een nieuwe kabinetsformatie? Ik weet het gewoon niet.
Het lijkt of het steeds moeilijker is om over dit soort zaken een mening te hebben die hout snijdt en voor mezelf langer dan 24 uur houdbaar is. Misschien had ik dan ook meer last van een denkersblok dan van een schrijversblok. Maar vandaag kwam er bij Een Vandaag een item voorbij dat iets in me losmaakte. De Heroratten van Bart Weetjens. Hier een stukje tekst van de site van Een Vandaag:

“Van ratten moeten we doorgaans niets hebben. Maar klopt het beeld wel wat we hebben van de rat? Volgens de Belgische ondernemer Bart Weetjens is onze afkeer van de rat onterecht. Wat hem betreft zijn ratten extreem nuttige dieren. Intelligent, nieuwsgierig en ze beschikken over een fenomenaal reukvermogen. De rattenneus is zelfs zo goed dat ze er mensenlevens mee kunnen redden. Ze ontdekken landmijnen maar nu blijkt ook dat ze zelfs verschillende ziektes kunnen ruiken…” (klik hier om verder te lezen.)

hamsterrat - heroratGeweldig toch? Eindelijk eens ander nieuws én goed nieuws. Ik zou zelfs willen zeggen: ‘een sprookje met een spiritueel tintje’: Bart, een Belg die al zijn hele leven van ratten houdt, reist af naar  het verre Tanzania en laat zien hoe een diertje met een vreselijk negatief imago in staat is om een levensgroot probleem te lijf te gaan. Bart als Franciscus en de hamsterrat als het lelijke eendje dat een zwaan, een grote held, blijkt te zijn. Alleen al om het bij elkaar snuffelen van die landmijnen en alle mensenlevens die hiermee gered zijn, verdienen ze een groot applaus en een piepklein nobelprijsje van de vrede.

Wij hebben vijf knaagdieren in huis. Konijnen, cavia’s en een hamster. Van ratten moe(s)t ik niet veel hebben. Ik vind/vond ze vies en eng. Maar ook de hamsterrat heb ik vanavond in mijn hart gesloten. En, waarom zou je er geen adopteren? www.herorat.org